Voor
welk soort afval?
Diepe berging wordt overwogen voor laagactief
en/of kortlevend afval, alsook voor hoogactief en langlevend afval. Voor
dit
laatste afval moet de bergingsoplossing
bescherming bieden gedurende periodes die de tijdspannen die beschouwd worden
in het kader van klassieke industriële projecten overtreffen (enkele
tientallen of enkele honderdduizenden jaren). Pas na deze extreme periodes
is de radioactiviteit door natuurlijk verval verzwakt tot een niveau dat
nog maar een fractie vormt van de natuurlijke straling waaraan ieder van
ons wordt blootgesteld.
.gif) |
Het
algemene concept van diepe berging |
.gif) |
Het
concept voor laagactief en/of kortlevend afval |
.gif) |
Het
concept voor verglaasd hoogactief en langlevend afval |
.gif) |
Welke
zijn de resultaten van het onderzoek dat tot vandaag is verricht?
|
.gif) |
Een
maatschappelijk aanvaardbare oplossing |
Het
algemene concept van diepe berging
Op internationaal vlak zijn de wetenschappers het
eens: berging in een stabiele geologische laag is een geschikte oplossing
voor het langetermijnbeheer van radioactief afval. De gastformaties die
meestal beschouwd worden, zijn zout (lagen of koepels),
kristallijnegesteenten (graniet) en klei. Steeds meer landen opteren voor
klei (Zwitserland, Frankrijk, ...)
In België wordt deze oplossing al meer dan 25 jaar bestudeerd. Met
haar onderzoeksactiviteiten wil NIRAS nagaan of de berging in een weinig
verharde klei (zoals de Boomse klei in Noordoost-België) de veiligheid
van mens en milieu op lange termijn kan waarborgen. Zoutformaties zoals
in
Duitsland, komen niet voor in de Belgische ondergrond. Granietformaties,
zoals men voor berging gebruikt
in
Zweden en Finland, komen wel voor, op meer dan 2.000 meter diepte, maar
zijn nooit verkend geweest. De Boomse klei is
al miljoenen jaren stabiel
en zou stabiel moeten blijven gedurende de periodes die noodzakelijk zijn
opdat
het afval onschadelijk zou worden.
Het
algemene concept van diepe berging dat in België wordt bestudeerd,
bestaat uit een netwerk van ondergrondse betonnen bergingsgalerijen (1)
die in een weinig verharde kleilaag (2) worden uitgegraven en waarin het
afval zou worden geborgen. Deze galerijen zouden verbonden worden met
één of meer centrale galerijen (3) die toegankelijk zijn
via putten (4).
De
veiligheid van de bergingsinstallatie berust op verschillende opeenvolgende,
natuurlijke of kunstmatige, barrières
die elk hun eigen functie hebben in het kader van de langetermijnveiligheid
van de berging; ze dragen er elk op hun eigen manier toe bij dat het afval
geïsoleerd blijft van mens en milieu. Hoewel de algemene bergingsarchitectuur
identiek is voor alle afvaltypes, verschillen sommige barrières volgens
het type afval dat geborgen moet worden.
Het
concept voor laagactief en/of kortlevend afval
De
vaten met geconditioneerd afval worden eerst per drie in een betonnen
driehoekige caisson geplaatst (afval afkomstig van de ontmanteling
van stilgelegde nucleaire installaties kunnen rechtstreeks in de caisson
geplaatst worden). In de caisson wordt cementmortel gegoten om de
ruimtes tussen de vaten op te vullen. Hierdoor wordt een monoliet
gevormd die het vervoer van het afval tot in de bergingsgalerijen
en de eventuele recuperatie ervan vergemakkelijkt; deze monoliet vormt
tevens een eerste barrière tussen het afval en de biosfeer.
De berginginstallatie bestaat
uit een netwerk van ondergrondse betonnen bergingsgalerijen waarin
de monolieten worden geborgen. Als alle galerijen gevuld zijn, wordt
de installatie volledig afgesloten met een opvullingsmateriaal. Daarmee
is de berginginfrastructuur volledig geïsoleerd van de buitenwereld. |
|
De
belangrijkste barrière waarop de veiligheid van de bergingsinstallatie
berust, is de geologische laag waarin de installatie zou kunnen worden
gebouwd, dit wil zeggen een weinig verharde kleilaag. Aangezien deze barrière
weinig waterdoorlatend is en een sterk retentievermogen voor radionucliden
heeft, zou ze moeten volstaan om de veiligheid op korte en op lange termijn
te waarborgen.
Het
concept voor verglaasd hoogactief en langlevend afval

De eerste barrière waarop de
veiligheid van de bergingsinstallatie berust, is een zogenaamde
"supercontainer" waarin de roestvrije vaten met verglaasd afval
per twee worden geplaatst. Deze "supercontainer" bestaat in
de eerste plaats uit een koolstofstalen oververpakking (1) die als veiligheidsfunctie
heeft de radionucliden in te sluiten tijdens de thermische fase, dit wil
zeggen zolang het afval grote hoeveelheden warmte uitzendt (enkele honderden
jaren); de oververpakking is omgeven door een betonnen matrix (2) die
in een cilindrische roestvrij stalen beslagring opgesloten
is (3). De "supercontainer" en zijn componenten zorgen voor
een permanente afscherming tegen straling; bovendien wordt hij aan de
oppervlakte gebouwd om de ondergrondse manipulaties zoveel
mogelijk te beperken en aldus een optimale
bescherming voor de operatoren te
waarborgen.
Ook
hier bestaat de berginginstallatie
uit een netwerk van ondergrondse betonnen bergingsgalerijen (4) waarin
de "supercontainers" worden geborgen. Als alle galerijen gevuld
zijn, wordt de installatie volledig afgedicht met een opvullingsmateriaal
en met stoppen. Daarmee is de bergingsinfrastructuur volledig geïsoleerd
van de buitenwereld.
De
belangrijkste barrière waarop de veiligheid van de bergingsinstallatie
berust, is de geologische laag waarin de installatie zou kunnen worden
gebouwd, dit wil zeggen een weinig verharde kleilaag.
Deze barrière is de belangrijkste omdat hij de migratie van de
radionucliden naar de biosfeer zolang mogelijk zal moeten vertragen wanneer
de kunstmatige barrières niet langer efficiënt zijn (na de
thermische fase). Het is dus de geologie van de site die ervoor moet zorgen
dat de radiologische impact van het geborgen afval op lange termijn onder
de op nationaal en internationaal vlak vastgelegde limieten (IAEA),
en dus ver onder de natuurlijke radioactiviteit blijft. De duurzaamheid
van de kunstmatige barrières kan niet gegarandeerd worden gedurende
de extreme periodes die moeten worden beschouwd (enkele tientallen tot
honderdduizenden jaren).
Welke
zijn de resultaten van het onderzoek dat tot vandaag is verricht?
Al in 1974 begon
het SCK·CEN
met het onderzoek naar de
mogelijkheid om radioactief afval in de Boomse klei te bergen. Een ondergronds
onderzoekslaboratorium, HADES genaamd, werd in het begin van de jaren
'80 gebouwd om de Boomse klei (meer dan 200 meter onder de grond) te
bestuderen als mogelijke gastformatie.
Sinds haar oprichting in 1980 beheert en coördineert NIRAS, in
nauwe samenwerking met het SCK·CEN
en met de financiële steun van de Europese commissie,
het Belgisch onderzoeks- & ontwikkelingsprogramma.
Deze samenwerking leidde in 1995 tot de oprichting van een Economisch
Samenwerkingsverband
(ESV), PRACLAY genaamd. In 2000 kreeg het ESV PRACLAY de nieuwe naam ESV
EURIDICE.
Het
Belgisch onderzoeks- & ontwikkelingsprogramma
is een methodologisch programma dat tot doel heeft na te gaan of het technisch
en economisch haalbaar is een veilige oplossing voor de diepe berging
van radioactief afval te ontwerpen. Dit programma, dat noodzakelijkerwijs
multidisciplinair en stapsgewijs is, verloopt in drie fasen:
Een
maatschappelijk aanvaardbare oplossing
Het rapport SAFIR 2 beperkt zich tot de wetenschappelijke
en technische aspecten en evalueert het vertrouwen in de veiligheid, de
haalbaarheid en de robuustheid van het bestudeerde bergingssysteem. Een
langetermijnoplossing voor radioactief afval moet echter niet alleen veilig
en technisch haalbaar zijn, ze moet ook aanvaard worden door de maatschappij.
NIRAS is zich er in het bijzonder van bewust dat een oplossing, ook
al ze wetenschappelijk correct, toch
niet zal kunnen worden uitgevoerd zonder politieke consensus en maatschappelijke
aanvaarding.
Daarom wordt de diepebergingsoplossing en de manier waarop het laagactief
en/of kortlevend afval zal kunnen worden geborgen, besproken binnen de
lokale
partnerschappen.
Wat hoogactief en langlevend afval betreft, is NIRAS van mening dat de
maatschappelijke dialoog met alle betrokken actoren zoveel mogelijk aangemoedigd
moet worden. Daarom zal het onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma van
NIRAS in de komende jaren proberen het evenwicht te herstellen tussen
de technische, wetenschappelijke en maatschappelijke aspecten. Concreet
betekent dit dat de deelneming van de maatschappij zal worden georganiseerd
in het kader van een echte dialoog, die openstaat voor alle actoren. Er
moet immers een besluitvorming tot stand komen die beantwoordt aan de
verwachtingen van de maatschappij. NIRAS moet dus representatieve structuren
van de maatschappij in haar geheel ontwikkelen, die het vervolg van het
onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma mogelijk zullen beïnvloeden.
Voor meer informatie:
Onze pagina over het rapport
SAFIR 2
Onze rubriek over het ESV
EURIDICE
De website van het SCK·CEN
Je
vindt niet wat je zoekt? Stel ons je vragen
of geef je commentaar.
|